centrum voor spiritualiteit en zingeving ... omdat leven meer is …

VEERTIGDAGENTIJD - QUARANTAINE


DE RAGFIJNE GEUR VAN PIOENEN

Uit: Meditaties van de ziel van Marcel Barnard

Zachtjes voelen mijn vingertoppen het ongelijke oppervlak van de oude boereneettafel. De droge planken kieren. Scheuren en gaten zijn met kleine stukjes hout gedicht, anonieme sporen van een timmerman ergens in de Pyreneeën meer dan twee eeuwen geleden. Langzaam dringen kleine verhalen en vage beelden door de poriën van mijn huid mijn lichaam binnen. Een eenvoudige boerenwoning, een paar geiten en een klein graanakkertje. Rond het middaguur verzamelen zich de generaties om de tafel, mannen, vrouwen en kinderen, bidden haastig een Ave Maria en een Paternoster, dopen hun brood in de schapenjus en drinken hun wijn. Vet van het vlees druipt van de ongeschoren kinnen en de ruwe handen op de tafel. Hun genen bevatten misschien nog sporen van de kathaarse perfecti eenvoudige en ongeletterde mensen in een harde boerensamenleving nog weer vijf eeuwen eerder, op de grens van de dertiende en veertiende eeuw. Ondanks hun naam zijn ze niet perfect en hoeven dat ook niet te zijn. Op het einde van hun leven is er een mysterieuze rite, het consolamentum of de vertroosting, een doop waarbij een boek - onleesbaar en geheimzinnig ontoegankelijk - op hun hoofd wordt gelegd en de poorten van het paradijs voor hen opengaan.

We zitten midden in de Randstad om dezelfde tafel als die boerenfamilie in het Frans-Spaanse grensgebied twee eeuwen geleden en bidden diezelfde woorden. Onze Vader... Op een geheimzinnige manier worden we opgenomen in een wolk, opgetild in een mysterieuze eenheid, stijgen uit boven ons huis, de stad waar we leven, de gemeenschap waarin we geworteld zijn, het land waar we wonen, het continent dat het onze is. Het duizelt me als ik daaraan denk. We zijn niet alleen. We bidden die oude woorden en de hele wereld, de hele kosmos omgeeft ons - zoals in de hemel, zo ook op aarde. We ontstijgen het uur waarop we bidden, de korte tijd dat we leven, en worden een met wie vóór ons dezelfde woorden prevelden, met wie ze na ons zullen mompelen of zingen of zeggen, mensen die ik nooit gekend heb en nooit zal kennen - tot in eeuwigheid. Ik kijk de kring rond, de anderen houden hun handen samen, hun ogen dicht, hun hoofd licht naar voren. De woorden dalen af tot in de donkere krochten van ons hart en stijgen op tot boven de verlichte regionen van ons verstand, en ze dolen en zweven daar rond, hinderlijk of bemoedigend. Ze reiken in tien regels meer aan dan we in ons hele leven kunnen bevatten. De gedeelde woorden scheppen een verbondenheid die groter is dan ik kan zien, zwaarder dan ik kan dragen en lichter dan ik kan bevatten. We bidden aan onze rijkgevulde tafel de woorden die een hongerlijder in Afrika op ditzelfde uur ook bidt, - geef ons heden ons dagelijks brood. Door die woorden te bidden word ik, een verschrikkelijke gedachte, ook een met een dictator ergens op deze wereld omdat hij op ditzelfde uur diezelfde woorden zegt - uw wil geschiede: het kwaad is nooit buiten mij - verlos ons van het kwade. Zijn gemartelde gevangene bidt dat nu ook, hopend op wraak. Onze kleine kring rond de tafel is opgenomen in een veel grotere kring. We bidden samen met de driftige manager en zijn onheus  bejegende  secretaresse, de straatarme aidspatiënt en de rijke aandeelhouder van de farmaceutische industrie, het misbruikte kind en de dader die het kapotmaakt, de broodmagere oude man in het vluchtelingenkamp en de volgevreten dikzak bij de Mac, de vrome prediker en de misleide vrouw die de hoer moet spelen. We worden in een paar zinnen schoften en slachtoffers, en krijgen  ook nog een taal aangereikt die over en door dat alles heen erom smeekt dat  niet schuld  maar vergeving het laatste woord is in ons leven - vergeef ons onze schulden – en in dat van anderen –   zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven. Ze laten me zeggen dat we een andere wereld     verwachten, God mag weten waar vandaan – uw koninkrijk  kome. Zo zitten we daar en roepen we een naam aan - uw naam worde geheiligd. Met al die mensen die in het verleden en nu en in de toekomst overal op deze aarde die woorden zeggen stellen we ons tegenover een  naam die ons tot   in de krochten van onze ziel verantwoordelijk houdt  en ons een taal in de mond geeft waardoor de poorten van het paradijs opengaan - kracht en heerlijkheid, tot in eeuwigheid 

Ik heb altijd een fascinatie gehouden voor het oerverhaal van die naam, voor de magie van het Opperwezen dat uit de oudtestamentische verhalen oprijst. Voor de mythische macht die bliksemt en dondert tegen een onooglijk zwervend volkje in de Sinaïwoestijn, de magische naam die loeit als een hete woestijnwind en het zand in wervelende kolommen opjaagt - Jehóéha. Een vreemde God die spreekt door botterikken als de profeet Elia, de gevaarlijke God die hele volksstammen vernietigt in zijn toorn, het fascinerende mysterie van een duisternis, van een stem die in het Westen inmiddels tot zwijgen is gebracht. De God die zich in al zijn majesteitelijkheid had opgeheven uit het woestijnzand, waar Abraham zijn onuitsprekelijke naam uit de aanblik van de sterren en de zandkorrels in zijn diepste bewustzijn had horen klinken. Een echo uit het heelal, een spoor in de woestijn, de onbegrijpelijke taal van een buitengewoon na-ijverige God.

 

Het oerverhaal laat me niet los. Tot zwijgen gebracht of niet, ik moet terugkeren naar die God, ook al weet ik dat het onmogelijk is. Ik zoek hardnekkig een gezicht bij de naam waar ik me willens en wetens steeds weer tegenover stel. Wat voor gezicht heeft dan die God die ik altijd weer zoek? Het verhaal vertelt van een God die danst met zichzelf, een  God die zich bekendmaakt als vader, zoon en geest: twee mannen en een vrouw. Een ontzagwekkende vader met een dwaze zoon die zijn goddelijkheid aflegt en mens wordt. En tussen hen in een verleidelijk dansende vrouw die de vader en de zoon bij de arm neemt en ons opneemt in hun kringdans. Ik engageer mij met de verhalen van die dansende God en ontkom niet aan de paradoxen.

De mooie vrouw, vertelt het verhaal, kiest voor de zoon, daalt als een tortelduifje op hem neer. De stem van de vader zegt:: jij bent mijn geliefde zoon. Een intiem  samenspel of toch niet? Het verhaal neemt meteen een wending. De dans eindigt abrupt, de muziek stopt, de fluit wordt weggelegd. Het verhaal wordt ineens paradoxaal en gewelddadig. De vader  verandert  op  slag in  de verschrikkelijke God en weet de vrouw voor zich te winnen, tegen de zoon. Zij drijft de zoon de woestijn in, dumpt hem,  jaagt hem uit de intieme omarming van de dans met haar en de vader. De dwaze zoon wordt een eenzame God, verloren, overgeleverd aan de demonen. Zo schildert Gustave van de Woestijne de zoon in het benauwende jaar 1939: een eenzame gestalte, wanhopig, verdwaald in zichzelf, in een eindeloze zandvlakte, op de rand van de waanzin, vechtend tegen de demonie. Mijn God, met zichzelf en zijn wereld in strijd. De zoon moest sterven. Een God die leegloopt in de krankzinnigheid van de wereld. Een vreemde God. Maar altijd weer word ik verleid door die mooie vrouw, word ik in de dans van die vreemde en paradoxale God getrokken. Ik kan er niet buiten.

 

Zoals een hinde smacht naar stromend water, zo smacht mijn ziel naar u, o God. Mijn ziel. Heb ik een ziel? Ik heb een ik: een in elkaar geknutselde en met verve verdedigde identiteit, die mij het lef geeft luid en duidelijk 'ik' te zeggen. Dat ik - de wetenschap zal het wel weten terug te voeren op een aantal complexe chemische processen in mijn hersens. De ene prikkel van buiten jaagt het ene stofje aan en de andere het volgende, en zo wiebelt en wankelt mijn ik naargelang de omstandigheden. Nu eens is mijn identiteit die van de vrome jongen, dan weer die van de harde wetenschapper, en vanavond ben ik de kunstenaar. Mijn ik - meer dan een samenspel van wat chemische stoffen is het niet. Het is opgenomen in een wenteling waar ik geen greep of zicht op heb, wordt meegevoerd in het raadsbesluit van een oneindig en autonoom systeem.

Een angstaanjagende zinloosheid overvalt mij. Ik raak mijzelf kwijt, houd mijn gedachten niet meer onder contro1e, ze gaan met mij op de loop. Ik voel overal pijn in mijn lijf, mijn spieren verstijven, ik voel kleine steekjes tussen mijn ribben en mijn nek zet zich vast. Ik kijk naar de bos bloemen in de vaas, maar ik zie niets, ik ruik niets. Ik lees, maar ik begrijp niet wat ik lees. De woorden hebben geen betekenis meer. Ik lees en herlees dezelfde zin, maar de taal betekent niets. De woorden, de zinnen  staan niet op uit de drukinkt, het blijven zinloze tekens, regels zonder zinsverband.  Ze vallen  uiteen  in losse letters, er staat niets. De taal ontvalt mij. Een overdonderend niets. 

Ik wil mens zijn om niet te vergaan en als jij, God, of wat je ook bent, als je al bent, niet méér wilt worden dan  die verschrikkelijke leegte, dat angstaanjagend zwarte gat, als je voorgoed uit mijn wereld en uit mijn leven wilt wegvluchten, doe dat dan, doe dat dan, als ik maar mens mag worden, zelf   mens mag zijn. Laat mij dan althans mijzelf behouden.  Beziel mij. Ja, ik weet het wel, jij dacht ook mens te worden, maar verder dan tot een  angstige dwaas, in de woestijn, verzocht door de duivel, op de rand van de waanzin is het  niet gekomen. Zie de mens, heb je het sarcasme niet gehoord'? Natuurlijk wel. Maar je hebt het niet willen keren, je ontpopte je als een worm, vertrapt in de modder. Tot niets werd je. Niets. Helemaal niets. Een God tot niets gereduceerd, een stinkend lijk in een geleend graf. Ga dan maar, ga. Maar laat mij dan tenminste mens zijn, vernietig mij niet in je verpletterende leegte, vermorzel me niet, sleur me niet mee in je val. Ik probeer me vast te grijpen aan de rand van de afgrond. Ga dan maar, ga, ga, maar behoud mij, red mijn ziel. Ga, als ik mens mag zijn. Leer mij kijken, naar de kleuren van de bloemen, de groene stelen, de rozepaarse bloembladen, alle nuances van groen, roze en violet. Leer mij weer ruiken, de zoete geursensaties van de pioenen. Verdrijf mijn angst.

De wentelende kosmos van het systeem zwijgt. Een ijle vleug van zomer begint te stromen, zweeft mij tegemoet. Een zweem van roze begint mijn netvlies te warmen. De ragfijne geur van de pioenen streelt mijn ziel.